De behandeling van zwangerschapsdiabetes

De behandeling vindt bijna altijd in het ziekenhuis plaats. De gynaecoloog gaat de zwangerschap verder begeleiden en het diabetesteam kijkt naar de bloedglucosewaarden. De regeling van de bloedglucosewaarden is erg belangrijk, omdat te hoge waarden kunnen leiden tot een te groot kindje waardoor de bevalling zwaarder wordt. Daarnaast neemt de kans op complicaties, zoals een hoge bloeddruk of zwangerschapsvergiftiging tijdens de zwangerschap toe. 

De belangrijkste elementen uit het behandelplan

De behandeling van zwangerschapsdiabetes begint met een dieet. Hiermee wordt geprobeerd de bloedglucosespiegel te normaliseren. Dit dieet bestaat uit kleine maaltijden verdeeld over de dag, geen snelle koolhydraten (zoals snoep, frisdrank, vruchtensap of chocolade) en gezonde koolhydraten.

Dagelijks een half uur bewegen is goed voor de bloeddruk en bloedglucosespiegel. Wanneer dit niet voldoende effect heeft, wordt meestal een behandeling met insuline opgestart. Een intensieve insulinebehandeling geeft dan het beste resultaat, maar als blijkt dat ook dit niet een goede bloedglucoseregulatie geeft kan een insulinepomp een behandeloptie zijn.

Om de bloedglucosespiegel te kunnen controleren, kunt u het best heel regelmatig (vaak dagelijks) dagcurves maken. Hiervoor meet u uw bloedglucose een aantal keer per dag en deze noteert u in een dagboekje of in de DiaCare app. 

Zelfcontrole is heel belangrijk in de behandeling van (zwangerschaps)diabetes. Hierdoor krijg je inzicht in hoe je reageert op voeding en lichaamsbeweging, of de toegediende hoeveelheid insuline goed is ingeschat en hoe de bloedglucosespiegel er op dat moment voor staat.

Het meten van glucosewaarden leidt niet tot een betere diabetesregulatie, het handelen dat erop volgt wel. Dit betekent dat zelfcontrole alleen nut heeft als er ook iets met de gemeten waarden wordt gedaan, bijvoorbeeld door de insulinedosering of het voedings- of bewegingspatroon aan te passen.

Bij een intensief insulineschema 

Een intensief insulineschema biedt mogelijkheden voor zelfregulatie. Dit vraagt wel om een regelmatige controle van de bloedglucosespiegel. Onafhankelijke onderzoeken tonen aan dat regelmatige controle van de bloedglucosespiegel leidt tot aanzienlijk minder hypo’s en hypers.

Actieve zelfregulatie vraagt om goede educatie. De frequentie van zelfcontrole wordt daarom als onderdeel van het behandelplan door door de zorgprofessional, in overleg met de patiënt, vastgesteld. Het advies is om te controleren voor iedere maaltijd en voor het slapen. Soms ook zowel voor, als 1,5 tot 2 uur na de maaltijd. Een controleschema waarbij nuchter, voor de maaltijden en voor het slapen wordt gecontroleerd, noemen we een 4-punts dagcurve. Wanneer ook voor en na de maaltijden wordt gecontroleerd, noemen we dit een 7-punts dagcurve. Soms wordt ook gevraagd ’s nachts te controleren. Om een goed overzicht te hebben is het aan te bevelen een dagboek te gebruiken waarin ook de bijzonderheden kunnen worden vermeld.

Bij een 1-2 maal daags insulineschema

Bij een 1-2 maal daagse behandeling is er meestal sprake van een grotere voorspelbaarheid in het leefpatroon. Hierdoor kan volstaan worden met minder frequente controle van de bloedglucosespiegel.
De diabetesfederatie adviseert:
  • Dagelijks nuchter tot stabiele bloedglucosewaarden.
  • Eénmaal per week of eens per twee weken een vierpuntscurve: vóór de drie hoofdmaaltijden en vóór het slapen.
  • Op indicatie éénmaal per week of eens per twee weken een zeven/achtpuntscurve: voorafgaand aan en na elke maaltijd, voor het slapen en bij twijfel aan nachtelijke ontregeling controle in de nacht.

Effectmetingen

Hoe reageert bloedglucose op wat ik doe? Dit is eenvoudig in beeld brengen door een effectmeting te doen. Als u wilt weten welk effect eten op de bloedglucose heeft, controleert u direct voor het eten en 1,5 tot 2 uur erna. Het verschil tussen beide metingen laat zien hoe groot het effect is geweest. Let op bij vette maaltijden, vetten veranderen namelijk de opnamesnelheid van koolhydraten. Uw diëtiste kan u hier meer over vertellen. Bij het meten van het effect van beweging, moet u er rekening mee houden dat intensieve beweging een langdurig bloedglucose verlagend effect heeft. Het volstaat dan niet om alleen kort na het sporten te meten, een dagcurve maken geeft dan een beter beeld van het effect.

Goede bloedglucosemeting

De manier waarop een bloedglucosemeting wordt uitgevoerd is heel belangrijk. De meeste fouten in de uitslag ontstaan door fouten tijdens de meting. Bewaar de test strips koel en droog en zorg voor schone handen tijdens het meten.

Een insulinepomp is een klein apparaat dat onder, of in de kleding gedragen wordt. Een insulinepomp bestaat uit een ampul met insuline, een motor, een computer, een batterij, een afleesscherm en bedieningsknoppen. Veel insulinepompen worden bediend met een afstandsbediening. In sommige gevallen is de bijbehorende bloedglucosemeter tegelijkertijd de afstandsbediening van de pomp. De insuline uit de ampul gaat het lichaam in via een slangetje (infuusset) van de pomp naar het naaldje of naar de canule in het onderhuidse vetweefsel in de buik, bil of been. Een pleister zorgt ervoor dat het naaldje in de huid blijft zitten. Een pomp is als het ware een kleine computer die de hoeveelheid insuline instelt  die verdeeld over 24 uur nodig is. 

Iedereen die ondanks vier of meer keer per dag insuline spuiten de bloedglucose niet goed onder controle krijgt, komt in aanmerking voor een insulinepomp. Doordat de insulinepomp zoveel flexibiliteit biedt, is het ook een uitkomst voor mensen die veel reizen of die wisselende diensten draaien. Er zijn ziekenhuizen waar kinderen na de diagnose bijna als vanzelfsprekend worden ingesteld op de pomp. En ook voor vrouwen met een kinderwens die hun bloedglucosewaarde zo stabiel mogelijk willen houden, kan de pomp een uitkomst zijn. Zo zijn er diverse redenen om een insulinepomp te gaan gebruiken.